maandag, juni 25, 2007

Bedelboek over Bordewijk

Als boekenverzamelaar ben ik er een groot voorstander van dat mensen mij gratis boeken geven. Er moet toch niets zo leuk zijn voor een boekenbezitter om te weten dat er ergens een verzamelaar is die dolblij is met datgene wat overbodig staat te zijn in andermans boekenkast. Daarom herinner ik met enige regelmaat mensen aan de vreugde van het geven en dat leidt tot een gestage stroom boeken mijn kant op. Maar niet alleen bekenden geven mij boeken, ook bedrijven doen dat.

Als tegenprestatie voor deze ruimhartigheid roep ik de lezers van dit blog op uitsluitend zaken te doen met bedrijven die mij hebben voorzien van gratis boeken.

Dat betekent voor u als lezer het volgende:
En dit zijn nog maar een paar voorbeelden... Afgelopen week was het in elk geval weer raak: ik ontving het jubileumboek van advocatenkantoor Schaap en Partners. Een bedelmail van mij naar het kantoor had direct succes. Het had mij enkele jaren van zoeken kunnen besparen als ik hier eerder op was gekomen. Maar sneupers vragen niet snel om hulp, pas als zij ten einde raad zijn... Gelukkig was Schaap en Partners genereus. Mijn oproep is dus: heeft u een juridisch geschil, meld u zich dan in Rotterdam!

Waarom is dit jubileumboek zo speciaal? Het kantoor Schaap en Partners is de plek waar Bordewijk in zijn advocatenbestaan enkele jaren heeft gewerkt. Hij kreeg een jaar na zijn promotie een plaats als junior bij Mr. J.G. Schürmann, aan de Wijnhaven 48. In 1916 werd het kantoor aan de Boompjes 10 betrokken, en dit is het gebouw dat Bordewijk beschrijft in Karakter: "Een hoog gebouw, smal, een oud herenhuis geweest, hij zag het dadelijk...".

Bordewijk heeft tot 1919 bij Schürmann gewerkt. In het jubileumboek wordt uitgezocht waarom de biograaf van Bordewijk, Reinold Vugs, het in zijn boek uit 1995 verkeerd had; er was verwarring met adresboeken in Rotterdam. Desalniettemin vestigde Bordewijk zich in 1919 als zelfstandig advocaat.

Veel ervaringen uit de jaren bij Schürmann zijn in Bordewijk's werk verwerkt. Zoals de beschrijving van een kantoor, maar ook verschillende van zijn tegenstanders in de rechtszaal zijn zichtbaar in zijn romans of in zijn eigen herinneringen aan de advocatuur (in het boek Geachte Confrère).

Een mooi detail vind ik dat de secretaresse van Schürmann, mevrouw Elizabeth Cornelia Schade, model stond voor juffrouw Te George in Karakter: "En ze gaf hem een hand, het was de eerste handdruk die ze wisselden, haar hand was zo koel van de zee, het voelde verrukkelijk aan." Katadreuffe en Te George horen wel en niet bij elkaar: "Maar die twee jonge mensen waren bestemd elkaar beurtelings aan te trekken." Er is een ontmoeting tussen Katadreuffe en Te George op een mooie dag in de Hoek, samen met Katadreuffe's vriend Jan Maan. Maan beschrijft Te George als volgt: "Wat een schat van een meid zeg... Hoe ken je die?... Is dat iemand van je kantoor?... Een hele dame...".

Kortom, in dit jubileumboek is voor de Bordewijk-liefhebber veel terug te vinden over achtergronden van Bordewijk en over details in zijn werk. Maar natuurlijk ook over de ontwikkeling van het kantoor van Schürmann naar het kantoor Schaap en partners dat nu nog gevestigd is aan de Parklaan 17 in Rotterdam.

Een fraai boek dat een mooie plaats krijgt in mijn Bordewijk-collectie.

sneuper

dinsdag, juni 19, 2007

Opmars van de papiervisjes

Een alarmerend bericht op Nu.nl:
Papiervisje richt vaker schade aan in boekenkast

Uitgegeven: 19 juni 2007 08:32

WAGENINGEN - Nederlanders doen er goed aan de boekenkast in te duiken om te controleren of hun literatuur er nog ongeschonden bijstaat. Volgens het Kenniscentrum Dierplagen (KAD) in Wageningen is het papiervisje bezig met een opmars.


Het kleine insect is moeilijk te bestrijden en richt vooral grote schade aan in boekenkasten, stelt directeur Nico Vonk dinsdag. Hij bevestigde daarmee een verhaal van soortgelijke strekking in het AD. Het diertje voedt zich met cellulose, een stof die vooral in papier voorkomt. Het doet zich naast oude boeken ook te goed aan behang, foto's en schilderijen. Het papiervisje komt vooral in stedelijke gebieden voor.


Vonk noemt de steeds beter geïsoleerde huizen als oorzaken van de opmars. "Het papiervisje gedijt het best in droge en warme ruimtes. Ze planten zich hier in rap tempo voort." Ook de stijgende temperatuur draagt mogelijk bij aan de opmars van het ongedierte.


Ongediertebestrijder Vonk raadt mensen aan om tweedehands- en bibliotheekboeken uit te kloppen. "De gevolgen zijn pas na langere tijd zichtbaar. Veel mensen zijn zich dus niet bewust van het gevaar en de overlast. Ze denken: ach dat beest sla ik wel dood." Om de beesten te verwijderen is een inzet van een ongediertebestrijder met chemische middelen noodzakelijk. Volgens Vonk kan zo'n behandeling behoorlijk ingrijpend zijn. "Je bent er niet met een chemische behandeling. Het hele huis moet bekeken worden. En als je in een flat of rijtjeshuis woont, moeten alle buren er ook aan geloven."


Wortelvormig

Het lichaam van een papiervisje kan twee centimeter lang worden en ziet er wortelvormig uit. Het visje is familie van het ovenvisje en het zilvervisje.
Op deze site staat dat het rotbeest pas sinds 2002 in Nederland als soort bekend is. Zie hier het artikel waarin de verschillen met de andere soorten worden beschreven. Aanvullende informatie van de website van het KAD:
Papiervisje (Ctenopepisma longicaudatum)

Uiterlijk: Wordt vaak verward met het zilvervisje. Voor het onderscheiden van het verschil is een microscoop nodig. Heeft drie staartdraden. Het papiervisje is ongeveer 13 mm lang. Schade aan etsen, postzegels (eten lijm).
Het papiervisje gedijt het best bij een temperatuur van circa 37 °C. Wordt daarom vooral aangetroffen op warme droge plaatsen, b.v. in de boekenkast of bij de CV.
Een (blok)bestrijding met chemische middelen door een deskundige ongediertebestrijder is noodzakelijk (zie ook bij de duitse kakkerlak). Determinatie van de soort is gewenst.

Zilvervisje (Lepisma saccharina)

Uiterlijk: Heeft drie staartdraden aan het achterlijf. Lengte 7-11,5 mm. Ze zijn meestal een aanwijzing voor een vochtprobleem, zoals een lekkage in gootsteenkastjes, of een ventilatieprobleem.
Bestrijding/wering: Scheppen van een droge atmosfeer in de woning. Bij droog weer zoveel mogelijk luchten.

Ik zie deze beestjes met enige regelmaat rondkruipen in ons huis. Natuurlijk dood ik ze altijd, maar ze zitten onder vloeren, achter muren en in nissen. Behang hebben we niet, maar dit kan ook een nadeel zijn: misschien komen ze nu nog sneller uit bij mijn prachtige boekencollectie.

Wat moet ik doen? Koel en droog houden doe ik al en ik stofzuig regelmatig. Maar wat nog meer? Lijmstroken op de planken leggen zodat ze gevangen worden? Mijn boeken dichtsealen in plastic? Is er een natuurlijke vijand die ik kan loslaten op dit probleem? Hebben andere bibliotheekbezitters nog tips?

Wie redt mijn boeken van deze monsters?

sneuper

dinsdag, juni 12, 2007

Veilingvreugde

Na een eerdere vergeefse poging heb ik eindelijk - voor de allereerste keer - een slag weten te slaan op een boekenveiling. Ruim anderhalf jaar geleden heb ik geprobeerd drie kavels bij Bubb Kuyper te bemachtigen, maar tevergeefs. Bij die kavels werd ik steeds nipt overboden.

Een paar weken geleden werd de nalatenschap van Harry G.M. Prick geveild bij Bubb. Boekengek schreef er ook al over. In het aanbod zaten een paar prachtige kavels, waaronder één met een boek dat ik per se moest hebben. Het gaat om dit boek:
De uitgave Weet u... van Nescio is gemaakt door Guus Middag en Peter Yvon de Vries voor Lieneke Frerichs, die we natuurlijk allemaal kennen als degene die verantwoordelijk is voor een reeks fraaie Nescio-uitgaven. Zij promoveerde op 9 november 1990 en dat moest gevierd worden, onder andere met dit boekje.

Het gaat in deze uitgave allemaal om dit kwatrijn:

Weet U wie ik gezien heb?
die meneer van de Vami
Hij kocht een Cetem van de Ako
op de Giba in de Rai

Nescio schreef dit kwatrijn in augustus 1955 aan een auteur van een krantenrubriek, als reactie op een stukje over de "afkortingenziekte". Bij de promotie van Lieneke Frerichs konden twee afkortingen niet thuisgebracht worden: Giba en Cetem. Die vraag bleef dus openstaan.
Op de Nescio-pagina's van Bert lees ik dat de oplossing twee jaar later door Maurits Verhoeff is gepubliceerd door Maurits Verhoeff in het artikel 'Correspondentie. Een vraag van Nescio aan Charivarius', in Het Oog in 't Zeil, 9 (1992) 2, p. 57-59.

Het bijzondere aan dit boekje is dat het is uitgegeven in een oplage van slechts 25 exemplaren. Waarmee het dus eigenlijk onvindbaar is, omdat dit aantal in het niet valt bij het aantal Nescio-verzamelaars. Ik had het één keer eerder gezien in een catalogus van antiquariaat Fokas Holthuis. Dat was in het najaar van 1998 en toen kostte het 200 gulden. Ik bewaar oude catalogi omdat deze zo'n handig naslagwerk zijn (en omdat ze een nauwkeurig overzicht van gemiste kansen zijn). Ik heb destijds onmiddellijk met Fokas gebeld, maar viste natuurlijk achter het net. Bijna een decennium later blijk ik deze uitgave alsnog voor een prikkie te hebben gekregen. Op de veiling van Bubb stond dit lot, met enkele andere titels, met een richtprijs van 70-90 euro. Ik bood per mail een hoog bedrag, maar het werd afgetikt op 80 euro. Dat betekent dat dit boekje sinds 1998 relatief in prijs gedaald is. Overigens is dit een oneerlijke vergelijking, want een antiquariaat laat zich niet vergelijken met een veiling. Maar mijn bankrekening blijft dit toch een plezierige constatering vinden.

Veilingen zijn overigens vreselijk. Uit pure zelfbescherming ga ik er niet heen, maar bied ik op basis van de catalogus per email. Want ik weet dat ik anders wordt meegesleept met het bieden en in no-time failliet ben. Dit heeft ook een keerzijde: ik heb bij de laatste veiling op 7 lots geboden - waarvan op een aantal zeker geen misselijke bedragen - maar heb er slechts eentje gehaald. Weliswaar precies die ene die ik per se moest hebben, maar er waren een paar fraaie Bordewijk- en Vestdijk-lots die toch ook wel in mijn boekenkasten thuishoorden.

Gelukkig is de score beter dan de vorige keer, toen haalde ik geen enkel lot binnen. De kop is er af en dit smaakt naar meer. In november is de volgende veiling bij Bubb Kuyper en ik ben er klaar voor...

sneuper

zondag, juni 03, 2007

Uitpakliteratuur

Ik bezit twee titels die gaan over het uitpakken van het eigen boekenbezit. Nu ik zelf eindelijk zo ver ben dat ik mijn verzameling dozen weer omvorm tot een bibliotheek kan ik mij voorstellen dat deze bezigheid ook bij anderen heeft geleid tot allerlei overpeinzingen.
Want boeken uitpakken moet zorgvuldig gebeuren en dat betekent dat elk boek op de plek komt waar het hoort. Gelukkig houd ik trouw lijsten bij van mijn verzameling zodat ik kan controleren of alles er nog is en in welke subcollectie het hoort. Het verrassende is dat ik in de loop van de tijd toch minder precies ben geweest dan gedacht. Ik bleek boeken te hebben die niet op de lijst stonden: ik was rijker dan gedacht.
Maar het omgekeerde was helaas ook waar: ergens tussen de nog niet uitgepakte spullen moeten nog minstens drie titels liggen die tot nu toe spoorloos zijn.

Maar het voordeel van het uitpakken van boeken is dat je weer opnieuw met je hele bezit wordt geconfronteerd en dat elk boek dat je hebt zich weer even laat zien – als een dagenlange parade van grote geesten.

Arthur van Schendel heeft in 1937 een kort essay geschreven: Bij het uitpakken van de boeken. Het zijn zijn overpeinzingen wanneer hij “na vele jaren” zijn boeken uitpakt die hij eens had: “Het is louter vriendschap die men voor alle voelt. Na de eerste ontroering van het wederzien, immers het zijn oude vrienden, die alle tegelijk binnenkomen, onderscheidt men ze weder en vindt hun hoekje in de genegenheid terug.” Van Schendel ziet al zijn boeken, ook die hij in zijn vroegste jeugd had, passeren. En hij vraagt zich af of hij ze alle nog wel zou moeten houden. Slechts enkele uitverkorenen verdienen een hoge status: “Tezamen met de klassieken zijn deze welbeschouwd de bibliotheek, en gelukkig is degene die niet, gretig en onverzadigbaar, alles behoudt wat van de drukpers in zijn huis komt, maar zich weet te beperken tot enkelen, die spreken met een stem. Want bezie de menigte der overigen. Daar staan in rijen romans, die gij gekocht hebt om in den trein niet in slaap te vallen; of omdat er in hun tijd een grote roep van ging; of omdat gij niet langs een boekwinkel kunt lopen, zomin als een ander langs een drankwinkel zonder geld uit te geven.” Dat laatste geldt helaas ook een beetje voor mij. Maar daar staat tegenover dat ik ook nu nog kan zeggen dat ik een goede hand heb: het valt wel mee met de “menigte van overigen” in mijn bezit. Maar Van Schendel predikt matigheid en een kritisch oog: “Men kan tevreden zijn met en verzameling van boeken, die de bewondering voor edele geesten waarlijk nodig heeft; voor den een zal een tiental hiervan genoeg zijn, de ander verlangt er honderd. Het zullen alle de boeken zijn, tot welke men steeds terugkeert, waarin men steeds iets ontdekt, en alle in een behoorlijke uitgave.” Zo zie ik het ook graag: niet alleen de belangrijke titels, maar vooral ook in een mooie uitgave.

Walter Benjamin, over wiens leven en boeken ik hier en hier al eens eerder schreef, beziet zijn bezit met het oog van een verzamelaar. In het kleine boekje Ik pak mijn bibliotheek uit schrijft hij – waarschijnlijk in 1931 – over het hoe en waarom van het aanleggen van een boekenverzameling. “Ik moet u verzoeken u met mij te verplaatsen in de wanorde van opengebroken kisten, in de lucht vol houtstof, op de met verscheurde papieren bedekte vloer, tussen de stapels na tweejarige duisternis weer aan het daglicht blootgestelde banden”. Benjamin heeft zijn boeken twee jaar moeten missen, wat ook al veel te lang is natuurlijk. En hij beziet zijn boeken op dat moment als het resultaat van “het toeval en het lot”, waardoor ze uiteindelijk in zijn bezit zijn gekomen. Wat het meest glorieuze moment in het bestaan van het boek was. “Voor de ware verzamelaar betekent de aankoop van een oud boek de wedergeboorte ervan”.
Zoals Van Schendel voorstaat, heeft ook Benjamin een periode van matigheid gekend. “Jarenlang – gedurende minstens het eerste derde deel van haar bestaan – heeft mijn bibliotheek uit niet meer dan twee of drie rijen bestaan, die jaarlijks slechts centimeters groeiden. Dat was haar heldhaftige periode”. Daarna sloeg de inflatie toe – er werden veel boeken gekocht – en dan komt het aan op het vinden van de juiste manier om zaken te doen. “Verzamelaars zijn mensen met een tactisch instinct; hun ervaring leert hun dat, wanneer ze een vreemde stad veroveren, het kleinste antiekwinkeltje een vesting, de meest afgelegen kantoorboekhandel een sleutelpositie kan betekenen”. Het gaat erom dat boeken gered worden door ze op te nemen in je eigen bezit: “Voor de boekenverzamelaar ligt namelijk de ware vrijheid voor alle boeken ergens op zijn boekenplanken”. Zo beschrijft Benjamin ook zijn ervaringen bij veilingen en bij kopen via catalogi.

Maar het ging natuurlijk over het uitpakken van de boeken. Daarover zegt Benjamin: “Niets maakt duidelijk hoe fascinerend dit uitpakken is dan de moeite die het kost ermee op te houden.” Hij herinnert zich de steden en winkels waar hij zijn aankopen heeft gedaan, hij herinnert zich de plekken waar de boeken gestaan hebben. En hij concludeert dat hij een tevreden mens is en dat niet zozeer zijn boeken in hem, maar dat hij in zijn boeken woont.

Ik herken veel in wat beide heren schrijven. En nu ik zelf al mijn boeken weer één voor één door mijn handen laat gaan, realiseer me mijn rijkdom. Niet zozeer in de economische waarde van wat ik bezit, maar vooral in de veelzijdigheid ervan en de individuele schoonheid van de boeken. De schoonheid kan betrekking hebben op de inhoud, maar ook op de uitvoering en soms op allebei. En de schoonheid kan voor mij gelegen zijn in de zeldzaamheid: hoe kleiner en obscurer sommige uitgaven, hoe leuker het is om ze te bezitten. De komende tijd zal ik in dit weblog een aantal titels uit lichten, zodat mijn lezers een beetje kunnen meedelen in mijn rijkdom. Twee ervan hebben jullie zojuist ontmoet.

sneuper